
Familie foto, Ger lataster

Ger Lataster, Spelende Kinderen 1954, Collectie SCHUNCK
Ger Lataster
Eind jaren 30 was het Jef Scheffers, de directeur van de Maastrichtse Middelbare Kunstnijverheidsschool, die Lataster wees op moderne meesters als Henri Matisse en Paul Cézanne. Over die laatste kunstenaar zei Lataster later: “Het was alsof ik door de bliksem werd getroffen. […] Ik dacht, als er zoiets als het echte schilderen bestaat, dan is het dit.”
Door de oorlog vertrok Lataster niet naar Antwerpen, maar belandde hij in Amsterdam. Daar leerde hij de fotografe Hermine van Hall kennen. Deze jongste dochter van de door de Nazi’s vermoorde kunstenaar Frits van Hall maakte hem politiek bewust. Na de oorlog trouwden zij en kregen twee kinderen: Daniël en Peter. Deze gebeurtenissen werden bepalend voor zijn kunstenaarschap, dat één groot monument is voor het leven zelf en tegelijk een aanklacht tegen de menselijke hoogmoed en drang naar vernietiging.
Ook kreeg hij in die tijd veel steun van Willem Sandberg. Deze invloedrijke directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam kocht verschillende werken van hem aan voor het museum en betrok hem bij tentoonstellingen van Europese en Amerikaanse avant-garde schilderkunst. In 1950 nam Ger Lataster deel aan de door Sandberg geïnitieerde groepstentoonstelling Jonge Schilders in het Raadhuis in Heerlen, samen met Limburgse generatiegenoten als Jef Diederen, Pieter Defesche en Marianne van der Heijden. Zij waren hem gevolgd naar Amsterdam en hadden zich daar ook gevestigd. In de pers werd het gezelschap aangeduid als ‘Amsterdamse Limburgers’ (ook wel ‘Limburgse Amsterdammers’).
In 1954 gaf de Gemeente Heerlen Lataster opdracht voor een monumentaal schilderij voor het Raadhuis. Hij leverde er twee in: een Icarus Atlanticus en Spelende Kinderen. De Gemeente hing de tweede op. Het eerste werd in 1956 getoond in een groepstentoonstelling in New York.





